Laat één leerling twee instrumenten kiezen: één voor ‘lucht’ en één voor ‘grond’.De rest van de leerlingen zit als publiek in de kring met de ogen dicht.De leerling speelt beide instrumenten één voor één, zonder te zeggen welk instrument bij welk woord hoort.De luisteraars steken één of twee vingers op: één vinger = eerste instrument was grondtwee vingers = tweede instrument was grond Daarna stel je de vragen: “Wanneer hoorde je de grond?”“Waarom dacht je dat?”“Wanneer hoorde je de lucht?” Tot slot legt de speler zelf uit waarom hij/zij deze instrumenten gekozen heeft. Herhaal dit met de woorden ‘jas’ en ‘sneeuw’. Voorbeelden van mogelijke antwoorden “Ik dacht dat dit grond was omdat het laag en zwaar klonk.”“Dit was lucht want het klinkt hoog en een beetje zwevend.”“Dit instrument maakt korte, harde tikken, dat past bij grond.”“Dit klinkt zacht en lang, dat past bij sneeuw.”Speler: “Ik koos de triangel voor lucht omdat het zo licht klinkt.”