Cookies
We zijn benieuwd welke lessen populair zijn. Daarom meten we met Google Analytics welke pagina's, lessen en downloads het meest gebruikt worden. Dat doen we alleen als je akkoord geeft.
Je keuze heeft geen invloed op de werking van de site en je kunt dit later altijd aanpassen.
Laat één leerling twee instrumenten kiezen: één voor ‘lucht’ en één voor ‘grond’.
De rest van de leerlingen zit als publiek in de kring met de ogen dicht.
De leerling speelt beide instrumenten één voor één, zonder te zeggen welk instrument bij welk woord hoort.
De luisteraars steken één of twee vingers op:
Daarna stel je de vragen:
Tot slot legt de speler zelf uit waarom hij/zij deze instrumenten gekozen heeft.
Herhaal dit met de woorden ‘jas’ en ‘sneeuw’.
Voorbeelden van mogelijke antwoorden
Tip
Help leerlingen met woorden als hoog/laag, zwaar/licht, kort/lang. Bijvoorbeeld: “Dit klinkt laag en zwaar, dat past bij grond.” of “Dit klinkt licht en zwevend, dat past bij lucht.”