We zijn benieuwd welke lessen populair zijn. Daarom meten we met Google Analytics welke pagina's, lessen en downloads het meest gebruikt worden. Dat doen we alleen als je akkoord geeft.
Je keuze heeft geen invloed op de werking van de site en je kunt dit later altijd aanpassen.
Zing het lied 'Luister, Luister'. In de kist/tas zit een plukje watten of een papieren sneeuwvlokje.Blaas het sneeuwvlokje naar het midden van de kring.Kunnen de leerlingen ook (doen alsof ze) een sneeuwvlokje naar het midden blazen?Zing het lied. Ga bij elke frase (zin) met je handen van boven naar beneden. Kunnen de leerlingen blijven blazen totdat je vingers je knieën aanraken?
Zing het lied. Nodig de leerlingen uit om mee te doen met de bewegingen.Laat de leerlingen de bewegingen zelfstandig uitvoeren terwijl jij zingt.Jij doet de bewegingen, de leerlingen zingenDe leerlingen doen alles zelf. Maken de leerlingen mooie zinnen en halen ze op een logisch plek adem? Overal sneeuw in de lucht, overal sneeuw op de grond - Handen van boven naar beneden(van lucht naar grond)Op mijn jas en op mijn haar en op al die mensen daar - Vingers op de jas, haar en wijzen naar omgeving.
Groep 3-4
Presentatie WinterMelodieën (oefenen)
UitvoerenZingenSpelen20 min
Maak een korte presentatie van max 10 minuten voor parro of een andere klas. De onderdelen van het programma lopen in elkaar over zodat het één groot muziekstuk wordt. Klankverhaal (les 3) Overal sneeuw (les 2, met instrumenten)Sneeuwman! (Les met instrumenten)
Groep 3-4
Presentatie Wintermelodieën
UitvoerenZingenSpelen10 min
Doe presentatie zoals je die bij de generale geoefend hebt.
Groep 3-4
Reflectie - Starten Stoppen/Fraseren
ReflectieZingen5 min
De leerlingen staan in een kring. Jij zingt één keer Overal Sneeuw. De klas zingt daarna zelfstandig zonder jou. Na afloop steken de leerlingen bij vier stellingen hun duim omhoog / opzij / omlaag: We begonnen tegelijk.We stopten tegelijk.Ik bleef goed in dezelfde toon als de groep.Ik zong de zinnen in één keer uit, zonder middenin adem te halen.
Laat één leerling twee instrumenten kiezen: één voor ‘lucht’ en één voor ‘grond’.De rest van de leerlingen zit als publiek in de kring met de ogen dicht.De leerling speelt beide instrumenten één voor één, zonder te zeggen welk instrument bij welk woord hoort.De luisteraars steken één of twee vingers op: één vinger = eerste instrument was grondtwee vingers = tweede instrument was grond Daarna stel je de vragen: “Wanneer hoorde je de grond?”“Waarom dacht je dat?”“Wanneer hoorde je de lucht?” Tot slot legt de speler zelf uit waarom hij/zij deze instrumenten gekozen heeft. Herhaal dit met de woorden ‘jas’ en ‘sneeuw’. Voorbeelden van mogelijke antwoorden “Ik dacht dat dit grond was omdat het laag en zwaar klonk.”“Dit was lucht want het klinkt hoog en een beetje zwevend.”“Dit instrument maakt korte, harde tikken, dat past bij grond.”“Dit klinkt zacht en lang, dat past bij sneeuw.”Speler: “Ik koos de triangel voor lucht omdat het zo licht klinkt.”