Cookies
We zijn benieuwd welke lessen populair zijn. Daarom meten we met Google Analytics welke pagina's, lessen en downloads het meest gebruikt worden. Dat doen we alleen als je akkoord geeft.
Je keuze heeft geen invloed op de werking van de site en je kunt dit later altijd aanpassen.
1. Toneelstukje, zonder uitleg: loop met een (denkbeeldige) lampion naar de deur. Bel aan met de bel of triangel. De groepsleerkracht doet open en jij zingt Ik kom voor u iets zingen. Je krijgt een snoepje, bedankt en zwaait.
2. Zing het lied nog een keer en doe de eerste beweging voor: een boog met je hand bij 'zingen'. Vraag daarna: Wat doe ik bij 'zingen'? De volgende ronde doen de kinderen mee.
3. Bouw zo het klapspel op. Steeds eerst voordoen en vragen 'Wat doe ik bij ...?', de ronde daarna doen de kinderen mee: bij 'feest' 3 high tens met je buur; bij 'lichtjes, lampionnen' en 'begonnen' klap, high five rechts, klap, high five links; bij 'bel aan' aanbellen; bij 'verder gaan' een rondje lopen en zwaaien.
4. Slotronde: het hele klapspel in tweetallen in de kring.
Klapspel: Ik kom voor u iets zingen (boog met hand) / Voor 't Sintemaartens feest (3 high tens) / Kom een vrolijk liedje zingen (boog met hand) / op Sinte Maartenfeest (3 high tens) / Feest van lichtjes, lampionnen (klap, high five rechts, klap, high five links) / Sinte Maarten is begonnen! (idem) / 'k Zing mijn lied en ik bel aan (boog met hand, aanbellen) / daarna moet ik verder gaan (rondje lopen, zwaaien) / 'k Zing mijn lied en ik bel aan (boog met hand, aanbellen) / daarna moet ik gaan! (rondje lopen, zwaaien)
Tip
Doe het voor zonder uitleg: met de vraag "Wat doe ik bij ...?" gaan de kinderen zelf kijken en luisteren. Kijkwijzer: maken de kinderen de beweging op het woord zelf, of pas als ze het bij een ander zien?